Een jonge, hoogzwangere vrouw haalt in bar winterweer net het ziekenhuis. Noodgedwongen moet haar man, een arts gespecialiseerd in botbreuken, de bevalling leiden. Zijn euforie om de geboorte van zijn gezonde zoon verdwijnt als kort daarna een tweede kind wordt geboren, een dochtertje met het syndroom van Down. Herinneringen aan zijn verstandelijk gehandicapte zusje en het verdriet van zijn moeder om haar vroegtijdige dood doen hem besluiten zijn vrouw te beschermen. Hij geeft verpleegster Carolina de opdracht het meisje naar een inrichting te brengen. Tegen zijn vrouw vertelt hij dat hun kindje is gestorven. Carolina kan het echter niet over haar hart verkrijgen het pasgeboren meisje in een kille instelling achter te laten en besluit het kind zelf op te voeden.
